Aan het vervaardigen van het postzegelpapier lag een schriftelijke overeenkomst ten grondslag.

door Herman Neerings

Bij deze overeenkomst van 19 Julij 1851, Nr. 91 Post(erijen), tussen de voorzitter van het Munt-Collegie en de heer H.A. Bake, Muntmeester van ’s Rijks Munt te Utrecht, ingevolge artikel 9 der Wet van 12 April 1851 Stbl. No, 15, werd een goederenlijst opgesteld waarin alle benodigdheden tot het vervaardigen van postzegels staan vermeld. In de betreffende overeenkomst, onder ‘ten 7e’ staat onder andere iets over de maatvoering, met betrekking tot de indeling van het postzegelvel, het volgende vermeld: “Op drie der Sub.6 vermelde stalen (naar de huidige maatstaven ijzeren) platen zullen ten koste van tweeden Contractant worden overgebragt honderd postzegels, waarna deze platen zodanig afgewerkt zullen worden dat ze in alle opzigte voor het afdrukken gereed zijn’.

“Tussen deze postzegels, die 21 Strepen G 21 mm) hoog en 18 Strepen breed zullen zijn, zullen witte ruimten worden gelaten van 2 1/4 Streep.
Bovendien een wit kruis van 8 Strepen in het midden van het papier, waardoor de 100 postzegels in vier gelijke vakken, elk van 25, verdeeld worden”. (AFB. 1)

art-3-1

Watermerk

De positie van het watermerk in het postzegelpapier wordt in eerste instantie bepaald door de plaats van het watermerkfiguur op het zeefdoek van het schepraam. Daar waar dit figuur op het zeefdoek is genaaid zal, tijdens en na het ontwateren van de papierbrij, op het zeefdoek van het schepraam zich de basis van het vel papier vormen. De bovenzijde van het te vormen watermerk (van een metaallegering) is verhoogd aangebracht op het onderliggende zeefdoek waarop de 100 posthoorns van het zeefraam/ schepraam zijn bevestigd. Tijdens het ontwateren van de papierbrij wordt aan het watermerk, dat zich op dat moment onder de papierbrij bevindt, vorm gegeven en treedt er tegelijkertijd een verdunning op in het te vormen papier.
Daar waar kort daarna het watermerk in het papier zichtbaar wordt, is het papier dunner terwijl het omringende papier haar normale dikte vertoont. Het watermerk is vanaf dat moment een vaste factor in het papier en kan niet meer worden gewijzigd.

Vandaag de dag wordt tijdens het vervaardigen van het watermerk op het zeefdoek rekening gehouden met de mogelijke krimp van het papier. lk beschik niet over gegevens die aangeven dat dit toentertijd ook gebeurde. Over de schepramen die werden gebruikt bij de productie van het postzegelpapier is weinig bekend. Vooralsnog is dat niet na te gaan. De schepramen waren eigendom van de posterijen. Dit zou mogelijk een link kunnen zijn om na te gaan of deze zeeframen nog bewaard zijn gebleven of ergens in opslag liggen. De positie van het watermerk in de postzegel wordt in tweede instantie beïnvloed en feitelijk mede bepaald door de wijze van werken met de transferrol. Het inwiegelen van de beeldenaar in de drukplaat, die later niet meer kan worden veranderd, krijgt zo een vaste plaats in de drukplaat. Bij het inwiegelen van de gravure is uiterste nauwkeurigheid vereist maar toch….!

Drukplaten

Verzamelaars kijken nu met argusogen naar onder andere naar de diversiteit van kleuren van de postzegels en zo breed mogelijke randen. Daarbij worden paren, strippen van vier of soms zelfs van vijf exemplaren, nauwkeurig bekeken. Wat kunnen we daarbij constateren?

Dat is niet gering. Elke drukplaat van de eerste emissie kent zo zijn bijzonderheden vanwege de vele kleine krasjes die op de drukplaten ontstonden en later tijdens het drukproces geheel of gedeeltelijk weer verdwenen. Het moet ook niet uitgesloten worden geacht dat krasjes mede veroorzaakt zouden kunnen zijn door de wijze waarop de gravures in een kistje werden bewaard. Overigens zijn door G.C. van Balen Blanken en Bert Buurman vele bijzonderheden van alle drukplaten vastgelegd en verwoord in 18 boekwerken, inclusief de meest specifieke plaat IA.

Kwadranten

Als een belangrijke afwijking kan worden vastgesteld dat het witte kruis, die de kwadranten van elkaar scheidt, een breedte zou moeten hebben van 8 mm. (AFB. 2)
Dit conform de overeenkomst tussen de voorzitter van het Munt-Collegie en H.A. Bake. In het boek ‘Port betaald’ lezen we daarover op pagina 96: “Nadat het schepraam gereed was, werd een eerste proefvel geschept. Vrolik vond bij het zien hiervan het watermerk nogal ‘massief’. Zelfs wanneer het papier gewoon in de hand werd genomen, was het watermerk zichtbaar.

Normaal gesproken is dat pas het geval wan neer het papier gedroogd, gesatineerd en tegen het licht wordt gehouden ” (= in opzicht ) “Iets anders wat hem opviel, was de plaatsing van de posthoorntjes over het vel. De hoorntjes vielen namelijk niet precies in het midden van de postzegel. Er was dus een zeker verloop in het vel. Kaiser zag hierin geen bezwaar”.
In dit geval zou je moeten kunnen zien hoe het drukbeeld van de postzegel over het watermerk valt met een nagenoeg gelijke breedte tussen de postzegels. 0f hebben we hier te maken met een vrije interpretatie van de schrijver? De stukken waaruit dit naar voren is gekomen zijn niet algemeen bekend.

Afb. 2. Hiernaast treft u een provisorische weergave aan van twee kwadranten. Met de doorlopende lijnen wordt aangegeven hoe die zich verhouden tot het watermerk naarmate "het witte kruis" breder wordt gemaakt en welk effect dit heeft op de plaats van het watermerk in de postzegel.

Afb. 2. Hierboven treft u een provisorische weergave aan van twee kwadranten. Met de doorlopende lijnen wordt aangegeven hoe die zich verhouden tot het watermerk naarmate “het witte kruis” breder wordt gemaakt en welk effect dit heeft op de plaats van het watermerk in de postzegel.

Wit kruis

Het lag in de bedoeling dat bij het drukken van de beeldenaar op het postzegelpapier het watermerk midden onder het zegelbeeld van 21 x 18 mm zou komen te vallen. Bij het zien van een vel bedrukt postzegelpapier van de 1e emissie 1852 krijgt men de indruk dat de kwadranten door een kruis van elkaar gescheiden zijn. Het zogenoemde ‘witte kruis’ wordt vormgegeven door onderbroken deellijnen en is samengesteld uit de buiten kaderlijnen van de postzegels van de vier kwadranten.

Het breder maken van dit witte kruis heeft tot gevolg dat de verticale kruislijnen van het 1e en 3e kwadrant 1 mm naar links en van het 2e en 4e kwadrant 1 mm naar rechts wordt gebracht. Daardoor komen de uiterst rechts staande watermerken in het eerste en derde kwadrant, in opzicht, meer naar rechts onder elkaar te staan en voor wat betreft het 2e en 4e komen deze watermerken ogenschijnlijk meer naar links in de kwadranten te staan. Hieruit zou de conclusie getrokken kunnen worden dat aan de schepramen niets is gewijzigd. De plaatsing van de watermerken in het postzegelbeeld is wel geconstateerd, echter niet de reden waardoor de verschillen in de stand van de watermerken heeft kunnen ontstaan.

Voor wat betreft de horizontale (onderbroken) lijnen van het witte kruis worden de genoemde kwadranten ook nog 1 mm in de hoogte bijgesteld. Hierdoor komen de onderste watermerken van het 1e en 2e kwadrant door de gewijzigde situatie automatisch dichter op de (denkbeeldige) horizontale lijn te staan. Het drukbeeld, waardoor dit verschil van 2 mm heeft kunnen ontstaan, heeft haar uitwerking niet gemist op de horizontale en verticale onderbroken lijnen (gevormd door de buiten kaderlijnen van de postzegels) van het witte kruis. Door het verschil van 1 mm breedte aan weerszijden zijn de watermerken, voor wat betreft de onderste en vervolgens ook in mindere mate de daarboven geplaatste posthoorntjes, van dat kwadrant een lagere stand in het postzegelbeeld gaan innemen. Dit is het geval bij het 1e en 2e kwadrant. Het verschil voor de watermerken, naar boven gaand en vanaf het bovenste horizontale (denkbeeldige) lijnenbeeld, wordt steeds minder.

art-3-2b

De onderste horizontale onderbroken witte kruislijnen van het 3e en 4e kwadrant komen daardoor 1 mm lager te liggen. Het gevolg is dat de bovenste watermerken van deze kwadranten ogenschijnlijk hoger in het postzegelbeeld verschijnen. Hierdoor staan deze posthoorntjes dichter tegen de bovenrand (buiten kaderrand) van de postzegel.

Voeg daar nog de geringe onderlinge verschillen aan toe die zijn ontstaan tijdens de vervaardiging van de betreffende drukplaat, dan is het niet verwonderlijk dat de indruk wordt gewekt dat er met de watermerken in het papier is ‘geschoven’.
Dit komt echter door het gewijzigde drukbeeld. Dit wordt nog versterkt en geaccentueerd bij en door verzamelaars met opmerkingen als: “Bij de onderblokken verplaatst het watermerk zich meer naar boven” (Van Balen Blanken en Bert Buurman).

Het zal nu duidelijk zijn dat dit ogenschijnlijk heeft plaatsgevonden. Feitelijk is het mede het gevolg van een gewijzigde dan wel afwijkende toepassing van de richtlijnen met betrekking tot de indeling en de vervaardiging van de drukplaten. Het wordt veroorzaakt door het inwiegelen in de drukplaat in samenhang met het drukbeeld van de postzegels waardoor de bredere brug tussen de kwadranten (van 8 naar 10 mm) heeft kunnen ontstaan. Omtrent dergelijke wijzigingen heb ik overigens niets kunnen aantreffen in de mij ter beschikking staande stukken van de Studie en Contactgroep 1852.

De bemerkingen met betrekking tot het verloop van de watermerken in het eerder aangehaalde citaat geeft aan dat dit aspect al door Van Balen Blanken en Bert Buurman was onderkend. Hieruit zou ook de conclusie getrokken kunnen worden dat de breedte van 10 mm kennelijk al in een vroeg stadium was geaccepteerd “Kaiser zag echter geen bezwaar in het verloop van de watermerken in de postzegels”, aldus het boek “Port betaald”.

Horizontaal brugpaar

Tijdens mijn onderzoek van een aantal horizontale- en verticale brugparen (AFB. 3-7) werd geen 8 maar 10 mm breedte gemeten. Een tiental brugparen van bekende verzamelaars werd gecontroleerd en daarbij is vastgesteld dat de breedte tussen de zegels in het witte kruis, telkens 10 mm was. Hierdoor blijkt dat bij de aanmaak van de betreffende drukplaat een breedte van 10 mm tussen de kwadranten ontstond door het inwiegelen van de beeldenaar.

Dit heeft tot gevolg gehad dat het watermerk niet meer in het midden van de postzegel en dus het midden van de beeldenaar viel. We kunnen ook waarnemen dat de witte ruimten tussen de postzegels verschillen in hoogte en breedte laten zien. Dit laatste is goed te constateren en dat aspect heeft ook geleid tot de bredere brug. Er zijn variaties in de tussenruimten van 1.6. tot 2 mm te constateren in plaats van de voorgeschreven 2 1/4 mm. (AFB. 8) Zijn die verschillen dan zo belangrijk voor de postzegelverzamelaar? Wel degelijk. Verzamelaars die de eerste emissie van Nederland verzamelen kijken bijvoorbeeld naar de kleuren, de dikte van het papier etc. Bijzonderheden kunnen even zoveel interpretaties opleveren ten aanzien van de plaat en ook aangaande de positie van de postzegel.

art-3-3a

art-3-3b

G.C. van Balen Blanken/Bert Buurman verwoorden het als volgt: “Een hulpmiddel ter bepaling in welke verticale rij een zegel thuishoort, is gebaseerd op het watermerk. Bij de middenzegels no. 25, 45, 55 en no. 76, staat het watermerk in het midden. Het watermerk verplaatst (?) zich in de linker blokken steeds meer naar rechts naarmate de zegels meer naar links staan, Bij de rechter blokken verplaatst het watermerk zich meer naar links naarmate de zegels meer naar rechts staan”. De zekerheid van deze regel is volgens Korteweg ongeveer 80% (zie ‘De Philatelist’ 1939, pag. 37).

Of zou ‘is meer naar links’ of ‘is meer naar rechts’ of ‘staat meer naar beneden’ of ‘naar boven gepositioneerd’ hier beter op z’n plaats zijn geweest? Een watermerk verplaatst zich niet in het papier!

Hetzelfde geldt voor de horizontale rijen. “In de bovenblokken verplaatst (?) het watermerk zich meer naar beneden naarmate de zegels hoger in de rij staan. Bij de onderblokken verplaatst (?) het watermerk zich meer naar boven naarmate de zegels lager in de rij staan. Echter, mede doordat de zegels bij plaat III slordig in de horizontale rijen, dat wil zeggen ten opzichte van elkaar wat hoger c.q. wat lager staan, is deze laatste regel minder bruikbaar”. De benadering inzake het verloop van de watermerken in het vel en vervolgens ook in de postzegels van de 1e emissie 1852 door van Balen Blanken/Buurman blijft echter wel overeind.

Naar mijn mening is de gewijzigde maatvoering, naast de krimp van het papier, die overwegend tijdens het papier fabricageproces plaatsvindt, mede van invloed geweest op meer dan ‘een zeker verloop van de watermerken’ in de postzegels van de Emissie 1852. Bij handgeschept papier is overwegend geen vezelrichting te bepalen.

Samenvatting

De bewerking van de drukplaat – vanwege de ingewiegelde onleesbare gravures – vindt haar weerslag op het te bedrukken vel postzegelpapier. Er staan 100 watermerken op met een vaste plaats.

Door de toegepaste techniek wordt het drukbeeld smaller ten opzichte van de brug tussen de kwadranten. Hierdoor ontstaat een verbreding van het kruispatroon. Het gevolg is een verbreding van de kruislijnen van 8 naar 10mm. Het gevolg van het gewijzigde drukbeeld van de 100 postzegels is dat het watermerk niet meer in het midden van de postzegel staat. In de links staande kwadranten (1 en 3) vallen de watermerken meer naar rechts onder het postzegeldrukbeeld en bij rechts staande kwadranten (2 en 4) staan de watermerken meer naar links in het postzegelbeeld.

Ook op de horizontale kruislijnen treedt ongeveer een soortgelijk effect op. In de kwadranten 1 en 3 staan de watermerken lager in het postzegelbeeld en in de kwadranten 3 en 4 hoger.

Conclusie

Ten gevolge van de afwijkende maatvoering in de drukplaat treedt feitelijk een defect op ten aanzien van de plaats van het watermerk die vervolgens niet meer ongeveer in het midden van de postzegel staat. Overigens kunnen door de afwijking van het drukbeeld ten opzichte van het watermerk tijdens het drukproces nog grotere afwijkingen ontstaan. Dit indien het postzegelpapier minder accuraat wordt aangelegd. Hierdoor kan het watermerk deels buiten het zegelbeeld zichtbaar zijn.